TAALwerkvormen · Emmauscollege

Taal oefenen terwijl je vakinhoud leert.

De complete webeditie van TAALwerkvormen v11. Vijftien werkvormen voor elk vak, met docentstappen, succescriteria, bewijs van leren, redo en de volledige LLM-prompt.

leerdoel→bewijs van leren→feedback→redo
Achtergrond en aanpak

Vaktaal en vakinhoud horen bij elkaar.

TAALwerkvormen combineert vakgericht taalonderwijs met formatief handelen. De webeditie bewaart de inhoud en opbouw van de oorspronkelijke gids, maar gebruikt de visuele stijl van deze site.

15werkvormkaarten
15volledige LLM-prompts
v11bronversie
2025–2029schooljaarperiode in de gids
01

Waarom taal in elk vak?

Leerlingen die de vaktaal niet beheersen, begrijpen de lesstof ook niet volledig, ook al lijken ze mee te doen. Een leerling die ‘fotosynthese’ niet kan uitleggen in eigen woorden met de juiste vaktermen, heeft het concept feitelijk niet begrepen. Taal en begrip zijn niet los van elkaar te zien.

Als vakdocent ben je geen taaldocent, maar je bent wél verantwoordelijk voor de vaktaal in jouw domein. Dat betekent concreet: gebruik zelf consequent de vakterm, laat leerlingen verbanden verwoorden, zoals oorzaak-gevolg, voorwaarde en tegenstelling, en corrigeer vage taal door te vragen om de juiste term.

De werkvormen in deze gids zijn zo ontworpen dat taal oefenen en vakinhoud leren samengaan. Elke werkvorm vraagt leerlingen om te verwoorden, te redeneren of te preciseren, niet als extra opdracht, maar als onderdeel van het leerproces zelf.

02

Formatief werken: zicht houden op begrip

Formatief handelen betekent: tijdens de les zicht houden op wat leerlingen begrijpen, en daar direct op inspelen. Niet wachten tot de toets, maar nu al zien wie het snapt en wie niet. Dat vraagt drie dingen van de docent: weet wat je wilt dat leerlingen leren, maak dat zichtbaar tijdens de les, en doe er iets mee.

Elke werkvormkaart is een formatieve cyclus: leerdoel → bewijs van leren → feedback → redo. De redo-stap is niet optioneel. Pas op het moment dat een leerling zijn werk aanpast op basis van feedback, vindt het leren daadwerkelijk plaats.

Bewijs van leren is niet een toetsscore. Het is zichtbaar in hoe een leerling een redenering opbouwt, welke vaktermen hij gebruikt en of hij zijn twijfel kan benoemen. Let dus niet alleen op het antwoord, maar op de taal waarmee het antwoord wordt gegeven.

03

Structuur bieden zonder het denken over te nemen

Leerlingen leren meer als ze tijdelijk steun krijgen bij taken die ze nog niet zelfstandig aankunnen. Dat kan een startzin zijn, een zinsframe, een lijst vaktermen of een duidelijke stappenvolgorde. Maar de kern is: de leerling doet het denkwerk zelf. Scaffolding geeft structuur, geen antwoorden.

Elke LLM-prompt in deze gids is op dit principe gebouwd: de prompt levert materiaal en vragen, maar geeft nooit antwoorden of uitleg die het denkwerk van de leerling overbodig maken. De structuur ondersteunt, het denken blijft bij de leerling.

04

AI-tools gebruiken als materiaalontwerper

Een AI-tool zoals ChatGPT, Claude of Microsoft Copilot kan je helpen om snel lesmateriaal te maken: vragen, werkbladen, voorbeeldantwoorden en zinsframes. De prompts in deze gids zijn klaar voor gebruik. Kopieer, vul de velden [VUL IN] in met jouw vak en concept, en plak ze in het LLM naar keuze.

Elke prompt is opgebouwd rond vier vaste onderdelen: de rol van het AI-model, de kernhandeling die beschermd wordt, een lijst met verboden outputs en een taalmodule met vaktermen, signaalwoorden en zinsframes als docentnotitie.

De output van een AI-tool is altijd een startpunt, geen eindproduct. Beoordeel de output, pas aan waar nodig, en deel de docentnotities, zoals antwoorden en sorteerregels, nooit met leerlingen.

Hoe lees je een werkvormkaart?

Linkerkolom: de werkvorm, doel, stappen, succescriteria, bewijs van leren, doorvraagvragen en variant.

Rechterkolom boven: het prompttype en wat de prompt oplevert.

Rechterkolom onder: de volledige kopieerbare LLM-prompt.

  1. Voer de werkvorm uit zoals beschreven.
  2. Wil je materiaal of vragen genereren? Open de prompt.
  3. Vul de velden [VUL IN] in met jouw vak, concept en klas.
  4. Plak de prompt in ChatGPT, Claude of een ander LLM.
  5. Gebruik de output als slide, werkblad of docentnotities.

Prompttypen

TYPE 2 · ONTWERP vragen en vervolgacties voor slide of bord.

TYPE 3 · MATERIAAL werkblad, kaartjes of frames voor print of slide.

TYPE 1 · DOCENTNOTITIES antwoorden en sorteerregels. Niet tonen aan leerlingen.

Formatief handelen

Drie vragen sturen de keuze.

01

Waar gaan we naartoe?

Leerdoel en succescriteria delen met leerlingen.

02

Waar staan we nu?

Bewijs van leren verzamelen: wat zien en horen we?

03

Wat is de volgende stap?

Feedback geven en handelen: heruitleg, redo of verdieping.

Overzicht

Alle 15 werkvormen.

Klik op een naam om direct naar de volledige kaart te gaan.

WerkvormLesfaseDoelTijdGroepTaalfocus
Brain dumpStart / herhalingVoorkennis activeren5 minInd.vaktaal
WisbordjesInstructieBegrip van iedereen checken2 minKlasprecisie
Denken-delen-uitwisselenConceptvormingRedeneren + vaktaal oefenen5 minDuoredeneren
Exit ticketEinde lesLesopbrengst meten3 minInd.verwoorden
PeerfeedbackVerwerkingKwaliteit herkennen + verbeteren8 minDuocriteria
ConceptmapNa instructieRelaties leggen en bewijzen8 minInd.relaties
Stelling A/BDiscussieArgumentatie peilen5 minKlasargumenteren
Fout antwoord analyserenOefening / na toetsMisconcepties veilig bespreken5 minKlasherstellen
StoplichtcheckHalverwege lesZelfinschatting + differentiatie2 minKlasmetacognitie
Transfer-vraagVerdiepingKennis toepassen in nieuwe context8 minInd.toepassen
Mini-quizCheckDiagnostisch zicht op begrip5 minInd.diagnostiek
HerformulerenMoeilijke stofVaktaal scaffolden5 minDuozinsbouw
Samenvatten in 3 zinnenEinde blokKern selecteren en structureren5 minInd.structureren
Gallery walkVerwerkingKwaliteit herkennen via vergelijken10 minKlasvergelijken
Quick scan 3-2-1Einde lesReflectie en diagnostiek3 minInd.reflecteren
Werkvormkaarten

Werkvorm links. Prompt rechts.

De volledige inhoud van de eerdere gids staat hieronder. Open een kaart voor docentstappen, bewijs, doorvragen en de kopieerbare prompt.

01Brain dump (retrieval)Snel ophalen wat leerlingen (nog) weten en waar hiaten zitten.Start / herhaling5 minInd.vaktaal

DoelSnel ophalen wat leerlingen (nog) weten en waar hiaten zitten.

WanneerStart les • herhalen • voorkennis activeren

Docent zegt (startscript)

  • ‘Pak papier. Schrijf 2 minuten alles op wat je al weet over [CONCEPT]. Gebruik minimaal 2 vaktermen.’
  • ‘Zet bij één item: Zeker zeker / ? twijfel / Fout fout. Kies eerlijk: dit helpt mij jou beter te helpen.’

Beslisregels (als…dan…)

  • Als >⅓ ‘twijfel/fout’: 60 sec heruitleg met 1 voorbeeld + laat opnieuw 1 item herschrijven (redo).
  • Als vooral vaktermen ontbreken: geef 3 kernvaktermen op het bord en laat leerlingen 1 zin maken met ‘omdat/daardoor/dus’.

Zo werkt het

  1. Geef een focusvraag (max. 1 zin).
  2. 2 minuten: leerlingen schrijven alles op (woorden, schema, voorbeelden).
  3. Laat leerlingen 1 item markeren: zeker / ? twijfel / fout.
  4. Klassikaal: 1 sterk voorbeeld + 1 veelgemaakte fout bespreken.
  5. 1 minuut redo: verbeteren/aanvullen met vakterm + signaalwoord.

Succescriteria (leerlingtaal)

  • Ik noem minimaal 2 vaktermen correct.
  • Ik verbind begrippen met een signaalwoord (omdat, waardoor, dus).
  • Ik label elk item eerlijk: zeker / twijfel / fout.

Doorvraagvragen

  • Welke 2 begrippen zijn het meest belangrijk en waarom?
  • Welke relatie (X leidt tot Y) kun je uitleggen?
  • Wat heb je nodig om van 'twijfel' naar 'zeker' te komen?

Bewijs van leren

Voorkennis, ontbrekende begrippen en misconcepties worden zichtbaar. Noteer welke 2 vaktermen het vaakst ontbreken.

Variant

Laat leerlingen in tweetallen elkaars lijst aanvullen met vaktaal. Of: voorspel 1 examenvraag die bij dit onderwerp past.

02Wisbordjes (mini-check)In 30 seconden zicht op begrip van alle leerlingen tegelijk – niet alleen de handopstekers.Instructie2 minKlasprecisie

DoelIn 30 seconden zicht op begrip van alle leerlingen tegelijk – niet alleen de handopstekers.

WanneerTijdens instructie • na voorbeeld • bij overgang naar oefenen

Docent zegt (startscript)

  • ‘Schrijf in één zin het antwoord op: [CHECKVRAAG]. Gebruik de vakterm [X].’
  • ‘3–2–1… laat zien.’

Beslisregels (als…dan…)

  • Als veel antwoorden vaag (“ding/het/zo”): laat één leerling herschrijven met precieze vakterm + laat iedereen hetzelfde doen (redo).
  • Als 2–3 veelvoorkomende fouten: noteer ze als A/B/C op het bord en laat leerlingen kiezen welke fout het is + waarom.

Zo werkt het

  1. Stel een vraag met één verdedigbaar antwoord of één redeneerslag.
  2. Leerlingen schrijven individueel – geen overleg.
  3. Op jouw signaal: iedereen tegelijk omhoog.
  4. Scan: wie scoort goed / twijfelt / fout?
  5. Redo (30 sec): herschrijf je antwoord met 1 vakterm + 1 redeneerwoord. Docent kiest vervolg: heruitleg / extra voorbeeld / doorvragen.

Succescriteria (leerlingtaal)

  • Ik schrijf mijn antwoord op zonder naar anderen te kijken.
  • Ik onderbouw mijn antwoord met een vakterm of redenering.
  • Ik kan zeggen welke stap ik nam.

Doorvraagvragen

  • Welke stap maakte het verschil?
  • Kun je je antwoord onderbouwen met een vakterm?
  • Welke fout zie je in dit alternatieve antwoord?

Bewijs van leren

Directe data: wie snapt de kern en wie heeft ondersteuning nodig. Noteer welke fout het vaakst voorkomt per vraagsoort.

Variant

Laat leerlingen een schema of grafiek tekenen i.p.v. woorden – visueel bewijs van begrip.

03Denken - delen - uitwisselenMeer leerlingen laten redeneren en vaktaal gebruiken – niet alleen de snelle handopstekers.Conceptvorming5 minDuoredeneren

DoelMeer leerlingen laten redeneren en vaktaal gebruiken – niet alleen de snelle handopstekers.

WanneerConceptvorming • meningsvorming • bron of tekst bespreken

Docent zegt (startscript)

  • ‘Denk 30 sec stil: wat is jouw antwoord op [VRAAG]? Schrijf 1 reden erbij met “omdat…”.’
  • ‘Bespreek met je buur: maak één gezamenlijk antwoord met één vakterm en één signaalwoord.’

Beslisregels (als…dan…)

  • Als duo’s vooral antwoorden delen zonder uitleg: verplicht zinsframe ‘Ik denk …, omdat …’ en laat opnieuw delen.
  • Als uitleg goed is maar vaktaal ontbreekt: geef 2 vaktermen + 2 signaalwoorden en laat antwoord upgraden (redo).

Zo werkt het

  1. Stel een vraag met 'waarom' of 'waardoor'.
  2. 30-60 sec individueel denken – stil, geen overleg.
  3. 2 min in tweetal bespreken; gebruik een startzin.
  4. Kies bewust 2-3 duo's met uiteenlopende antwoorden.
  5. Redo (30 sec): verbeter je uitleg met 1 vakterm + 1 signaalwoord. Sluit af: 'Dit zijn de criteria voor een sterke uitleg...'

Succescriteria (leerlingtaal)

  • Ik gebruik een signaalwoord in mijn redenering (omdat, waardoor, dus).
  • Ik gebruik minimaal 1 vakterm correct.
  • Ik noem een bewijs of voorbeeld.

Doorvraagvragen

  • Wat is je bewijs uit de tekst of bron?
  • Welke signaalwoorden maken je redenering helder?
  • Wat maakt uitleg A sterker dan uitleg B?

Bewijs van leren

Je hoort redeneringen, taalgebruik en kwaliteit van onderbouwing. Noteer welke redeneerslAgen het vaakst ontbreken.

Variant

'No hands first': eerst iedereen in duo, daarna pas klassikaal. Zo hoor je meer stemmen.

04Exit ticketCheck wat leerlingen meenemen – en bepaal de volgende stap.Einde les3 minInd.verwoorden

DoelCheck wat leerlingen meenemen – en bepaal de volgende stap.

WanneerLaatste 3-5 minuten van de les

Docent zegt (startscript)

  • ‘Schrijf: (1) wat is de kern van vandaag? (2) één vakterm erbij. (3) één zin met “omdat/daardoor/dus”.’
  • ‘Lever in bij de deur; geen namen nodig als je dat fijner vindt.’

Beslisregels (als…dan…)

  • Als veel dezelfde ontbrekende stap: start volgende les met 2-min wisbordjes op precies die stap.
  • Als antwoorden inhoudelijk oké maar taal zwak: plan 3-min herformuleren (zelfde inhoud, betere vaktaal) als starter.

Zo werkt het

  1. Geef 1 vraag passend bij het lesdoel (niet meer).
  2. Leerlingen antwoorden kort: 1-3 zinnen of een schema.
  3. Laat leerlingen zelf labelen: zeker / twijfel / fout.
  4. Sorteer snel in 3 stapels of noteer 2 patronen.
  5. Redo (1 min): voeg 1 vakterm + 1 redeneerwoord toe op basis van 1 tip. Start de volgende les met gerichte terugkoppeling.

Succescriteria (leerlingtaal)

  • Ik gebruik minimaal 1 vakterm in mijn antwoord.
  • Ik gebruik een redeneerwoord (omdat, waardoor, dus).
  • Ik label eerlijk hoe zeker ik ben.

Doorvraagvragen

  • Wat is de kern van deze les in één zin?
  • Welke stap vond je lastig en waarom?
  • Welke term moet je nog preciezer leren?

Bewijs van leren

Betrouwbaar les-einde-bewijs. Sorteer op 3 patronen: correct-redenering / correct-maar-vaag / misconceptie. Noteer het patroon dat het vaakst voorkomt.

Variant

'2 dingen die ik zeker weet + 1 vraag die ik nog heb.'

05Peerfeedback met 'feed forward'Leerlingen leren kwaliteit herkennen en hun werk daadwerkelijk verbeteren.Verwerking8 minDuocriteria

DoelLeerlingen leren kwaliteit herkennen en hun werk daadwerkelijk verbeteren.

WanneerTijdens verwerken • conceptversie • schrijf- of uitwerkopdrachten

Docent zegt (startscript)

  • ‘Ruil werk. Gebruik de checklist. Schrijf: 1 sterk punt + 1 volgende stap die je partner meteen kan uitvoeren.’
  • ‘Maker: kies één tip en voer die nu uit (redo).’

Beslisregels (als…dan…)

  • Als feedback te algemeen (“goed/duidelijk”): verplicht bewijszin ‘Ik zie … omdat …’ + voorbeeld van één goede feedbackzin op bord.
  • Als tips niet worden verwerkt: maak redo verplicht met tijd (2 min) en laat ‘voor/na’-verschil zien bij 1 leerlingwerk (anoniem).

Zo werkt het

  1. Deel 2-4 succescriteria + 1 voorbeeldwerk met een bewuste taalzwakheid.
  2. Leerling A geeft feedback aan B: 1 sterk punt + 1 concrete volgende stap.
  3. B herhaalt feedback in eigen woorden: 'Dus ik ga ...'
  4. B past direct 1 onderdeel aan (redo).
  5. Redo-check: B laat de aangepaste zin/regel zien. Docent checkt kort: 'Welke tip heb je verwerkt?'

Succescriteria (leerlingtaal)

  • Ik benoem welk criterium sterk is met bewijs.
  • Ik formuleer een concrete volgende stap (niet: 'meer uitleg').
  • Ik gebruik een vakterm of signaalwoord in mijn feedback.

Doorvraagvragen

  • Welk criterium scoort al goed – wat is het bewijs?
  • Wat is de kleinste aanpassing met het grootste effect?
  • Welke zin kun je herschrijven met een vakterm of signaalwoord?

Bewijs van leren

Je ziet of feedback wordt omgezet in actie. Feedbackframe bevat altijd: 'welke vakterm ontbreekt?' en 'welk signaalwoord kan erbij?'

Variant

Feedbackframe: 'Ik zie ..., omdat ...; Volgende stap: ...'

06Conceptmap met verbindingswoordenRelaties leggen tussen begrippen – inhoud, taal en redeneren tegelijk.Na instructie8 minInd.relaties

DoelRelaties leggen tussen begrippen – inhoud, taal en redeneren tegelijk.

WanneerNa instructie • samenvatten • voorbereiding toets of transfer

Docent zegt (startscript)

  • ‘Zet de 6 kernbegrippen neer. Trek pijlen en schrijf op elke pijl een verbindingswoord: veroorzaakt/leidt tot/omdat/waardoor.’
  • ‘Kies één pijl en schrijf er een volledige uitlegzin bij.’

Beslisregels (als…dan…)

  • Als kaarten losse woorden blijven: eis minimaal 4 gelabelde relaties (geen lege lijnen) + 1 voorbeeldzin.
  • Als relaties fout zijn: kies 1 vaak fout pijltje en bespreek klassikaal met “Wat moet er staan zodat het klopt?” (redo).

Zo werkt het

  1. Geef 8-12 kernbegrippen (of laat leerlingen ze zelf kiezen).
  2. Leerlingen leggen verbindingen met pijlen + verbindingswoorden.
  3. Vergelijk in duo's: welke verbinding is het sterkst bewijsbaar?
  4. Docent bespreekt 1 misconceptie-verbinding klassikaal.
  5. Redo: leerlingen verbeteren 1 pijl en onderbouwen met een zinsframe.

Succescriteria (leerlingtaal)

  • Ik gebruik een verbindingswoord bij elke pijl.
  • Ik kan de sterkste verbinding bewijzen met een voorbeeld.
  • Ik verbeter 1 pijl op basis van de klassikale bespreking.

Doorvraagvragen

  • Waarom hoort dit verbindingswoord hier?
  • Welke pijl is het meest bewijsbaar vanuit de les?
  • Welke verbinding mis je nog om het verhaal rond te maken?

Bewijs van leren

Je ziet begrip van samenhang; misconcepties in relaties worden zichtbaar. Noteer de 3 meest gemaakte verbindingsfouten.

Variant

Laat leerlingen een 'top-3 verbindingen' markeren en toelichten.

07Stelling kiezen (A/B) + onderbouwenSnel peilen van begrip en kwaliteit van argumentatie.Discussie5 minKlasargumenteren

DoelSnel peilen van begrip en kwaliteit van argumentatie.

WanneerStart discussie • interpretatievraag • moreel of maatschappelijk thema

Docent zegt (startscript)

  • ‘Kies A of B. Schrijf: “Ik kies …, omdat …” (minimaal 1 vakterm).’
  • ‘Luister naar een tegenargument en voeg één zin toe: “Toch kies ik …, want …”.’

Beslisregels (als…dan…)

  • Als het meningen blijven: stop en eis bewijs uit bron/tekst/les (“Waar zie je dat?”).
  • Als argumenten goed maar taal rommelig: laat herformuleren met 2 signaalwoorden (bijv. “ten eerste… bovendien…”).

Zo werkt het

  1. Formuleer een stelling met keuze A/B (of eens/oneens).
  2. Leerlingen kiezen individueel en noteren 1 argument.
  3. Laat 2 leerlingen met verschillende keuzes toelichten.
  4. Klas reageert: 'Welke onderbouwing is sterker en waarom?'
  5. Redo (30 sec): verbeter je argument met 1 stuk bewijs + 1 signaalwoord. Vat samen: criteria voor sterke onderbouwing.

Succescriteria (leerlingtaal)

  • Ik onderbouw mijn keuze met een argument + bewijs.
  • Ik benoem en weerleg 1 tegenargument.
  • Ik gebruik een vakterm in mijn redenering.

Doorvraagvragen

  • Welk bewijs ondersteunt je standpunt?
  • Welke tegenwerping verwacht je – en hoe weerleg je die?
  • Welke vakterm maakt je uitleg preciezer?

Bewijs van leren

Je ziet denkstappen, misconcepties en kwaliteit van argumentatie. Noteer welk argumenttype het vaakst ontbreekt.

Variant

Gebruik hoeken in het lokaal: A / B / twijfel – leerlingen bewegen, daarna onderbouwen.

08Fout antwoord analyserenMisconcepties expliciet maken – zonder leerlingen te beschamen.Oefening / na toets5 minKlasherstellen

DoelMisconcepties expliciet maken – zonder leerlingen te beschamen.

WanneerTijdens oefenen • na toetsvraag • bij hardnekkige fouten

Docent zegt (startscript)

  • ‘Hier staat een fout antwoord. Zoek: wáár gaat het mis? Omcirkel de fout en schrijf: “Dit klopt niet, omdat …”.’
  • ‘Schrijf daarna de verbeterstap: “Het moet …, want …”.’

Beslisregels (als…dan…)

  • Als leerlingen alleen zeggen “het is fout” zonder reden: geef keuzehulp: fout zit in (vakterm / stap / conclusie) en laat opnieuw uitleggen.
  • Als misconceptie breed: plan 3-min mini-instructie + 1 nieuwe vergelijkbare vraag als redo.

Zo werkt het

  1. Toon een anoniem fout antwoord (of veelgemaakte fout).
  2. Vraag: 'Wat is hier al goed?' (veilige start).
  3. Vraag: 'Waar gaat het mis? Welke stap of aanname klopt niet?'
  4. Laat leerlingen een verbeterde versie maken.
  5. Redo (30 sec): schrijf de verbeterde versie en markeer welke stap je aanpaste. Koppel aan succescriterium: 'Dus: altijd eerst ...'

Succescriteria (leerlingtaal)

  • Ik benoem welke stap of aanname ontbreekt.
  • Ik schrijf een verbeterde versie in eigen woorden.
  • Ik koppel de verbetering aan het succescriterium.

Doorvraagvragen

  • Welke aanname klopt niet?
  • Welke stap ontbreekt?
  • Hoe zou je dit uitleggen aan een leerling uit klas 1?

Bewijs van leren

Je ontdekt de onderliggende denkfout en kunt gericht bijsturen. Noteer welke stap of aanname het vaakst ontbreekt.

Variant

Laat leerlingen 2 foute antwoorden vergelijken: welke is 'beter fout' en waarom?

09Stoplichtcheck (zelfinschatting)Leerlingen leren monitoren – jij ziet direct wie hulp nodig heeft.Halverwege les2 minKlasmetacognitie

DoelLeerlingen leren monitoren – jij ziet direct wie hulp nodig heeft.

WanneerHalverwege les • voor zelfstandig werken • na instructieblok

Docent zegt (startscript)

  • ‘Kies kleur: groen = ik kan het uitleggen, oranje = ik twijfel, rood = ik snap het nog niet.’
  • ‘Schrijf één zin: “Ik ben … omdat …” en één hulpvraag: “Ik heb nodig …”.’

Beslisregels (als…dan…)

  • Als veel oranje/rood: vorm 2 groepen (groen helpt oranje met zinsframes; rood krijgt korte heruitleg).
  • Als vooral “ik weet het niet”-taal: geef vraagstarter ‘Ik snap stap … niet, omdat …’ en laat opnieuw formuleren.

Zo werkt het

  1. Leerlingen tonen groen / oranje / rood (kaartje of vingers).
  2. Vraag aan rood/oranje: 'Ik loop vast bij ...' (kies uit 5 opties).
  3. Bied 2 routes: heruitlegtafel of extra oefenopgave.
  4. Groen krijgt verdiepingsvraag of transfervraag.
  5. Redo (2 min): oranje/rood doet 1 oefenstap of vraagt 1 verduidelijking. Na 5 min opnieuw checken.

Succescriteria (leerlingtaal)

  • Ik benoem wat precies onduidelijk is (woord / stap / verband / uitleg / toepassing).
  • Ik kies de route die bij mijn onduidelijkheid past.
  • Ik kan na de route uitleggen wat ik nu beter begrijp.

Doorvraagvragen

  • Wat maakt je oranje: begrip of toepassing?
  • Welke stap lukt nog niet?
  • Welke hulpbron helpt het meest: voorbeeld, stappenplan of samen oefenen?

Bewijs van leren

Snelle data + leerlingen oefenen metacognitie. Noteer de verdeling rood/oranje/groen en welk type onduidelijkheid het vaakst wordt benoemd.

Variant

Koppel aan keuzekaart: Route A (basis) / Route B (verdieping).

10Transfer-vraagKennis toepassen in een nieuwe context – zicht op echt begrijpen.Verdieping8 minInd.toepassen

DoelKennis toepassen in een nieuwe context – zicht op echt begrijpen.

WanneerVerdieping • einde hoofdstuk • voorbereiding PTA

Docent zegt (startscript)

  • ‘Pas het idee toe in deze nieuwe situatie: [NIEUWE CONTEXT]. Schrijf: “Dit is hetzelfde als …, want …”.’
  • ‘Voeg één verschilzin toe: “Hier is het anders omdat …”.’

Beslisregels (als…dan…)

  • Als leerlingen terugvallen op het oude voorbeeld: laat ze eerst 2 kenmerken van de nieuwe context benoemen (woordenlijst) en dán pas antwoorden.
  • Als toepassing lukt maar uitleg mist: verplicht zinsframes met signaalwoorden (dus/daardoor/tenzij) en redo.

Zo werkt het

  1. Geef een nieuwe situatie (casus, artikel, foto, grafiek).
  2. Vraag: 'Welke concepten passen hierop en waarom?'
  3. Leerlingen noteren 2 concepten + 1 redeneringszin.
  4. Bespreek 2 verschillende aanpakken klassikaal.
  5. Redo: leerlingen voegen 1 extra vakterm toe.

Succescriteria (leerlingtaal)

  • Ik benoem welk concept past en waarom (niet alleen het label).
  • Mijn redenering bevat claim + bewijs + redenering.
  • Ik benoem wat anders is dan de standaardsituatie.

Doorvraagvragen

  • Welke gelijkenis / verschil zie je met het voorbeeld uit de les?
  • Welke concepten zijn relevant en welke niet – en waarom?
  • Wat is je claim + bewijs + redenering?

Bewijs van leren

Je ziet of leerlingen 'snappen' i.p.v. alleen reproduceren. Noteer welk concept leerlingen het vaakst verkeerd toepassen.

Variant

Laat leerlingen zelf een transfervraag ontwerpen voor een ander vak.

11Mini-quiz (3 vragen)Diagnostisch zicht op waar begrip breekt.Check5 minInd.diagnostiek

DoelDiagnostisch zicht op waar begrip breekt.

WanneerNa instructie • voor zelfstandig werk • herhaling

Docent zegt (startscript)

  • ‘Beantwoord 3 korte vragen. Zet bij elke vraag: Zeker zeker / ? twijfel.’
  • ‘Kies één vraag en schrijf je denkstap: “Ik kies …, omdat …”.’

Beslisregels (als…dan…)

  • Als scores oké maar uitleg zwak: bespreek niet het antwoord maar de redeneerzin; laat iedereen één zin verbeteren (redo).
  • Als 1 vraag massaal fout: maak die vraag het startpunt van een korte fout-antwoord-analyse.

Zo werkt het

  1. 3 vragen: reproductie → inzicht → toepassing.
  2. Individueel maken, geen overleg.
  3. Antwoorden tonen (wisbordje of app).
  4. Bespreek vraag 2 of 3 – hier breekt begrip.
  5. Redo (1 min): verbeter je antwoord op de lastigste vraag met 1 zinsframe. Leerlingen labelen: welke vraag vond ik het lastigst?

Succescriteria (leerlingtaal)

  • Ik beantwoord alle drie vragen zonder overleg.
  • Bij vraag 3 gebruik ik een redeneerwoord in mijn antwoord.
  • Ik label eerlijk welke vraag het lastigst was.

Doorvraagvragen

  • Welke stap is lastig?
  • Waarom is de valkuiloptie verleidelijk?
  • Welke regel of redenering helpt om dit goed te krijgen?

Bewijs van leren

Diagnostisch: je ziet exact waar begrip hapert. Noteer de verdeling fouten per vraagsoort (reproductie / inzicht / toepassing).

Variant

Laat leerlingen zelf een distractor bedenken voor vraag 2.

12Herformuleren met startzinnenVaktaal en redeneerstructuur scaffolden – taalsteun voor alle leerlingen.Moeilijke stof5 minDuozinsbouw

DoelVaktaal en redeneerstructuur scaffolden – taalsteun voor alle leerlingen.

WanneerBij moeilijke stof • abstracte begrippen • schrijfopdrachten

Docent zegt (startscript)

  • ‘Herschrijf deze zin/antwoord zodat hij preciezer wordt. Gebruik een startzin: “Dit betekent dat … / Dit komt doordat …”.’
  • ‘Vervang vage woorden (dit/ding/het) door vaktermen.’

Beslisregels (als…dan…)

  • Als leerlingen betekenis veranderen: laat ze eerst onderstrepen wat hetzelfde moet blijven (inhoud), daarna pas herschrijven.
  • Als zinnen nog steeds vaag: geef 2 verplichte vaktermen + 1 signaalwoord en laat opnieuw formuleren (redo).

Zo werkt het

  1. Geef 2-3 startzinnen (bijv. 'Dit betekent dat ... / Hieruit volgt dat ...')
  2. Leerlingen herformuleren een uitleg met die startzinnen.
  3. Duo-check: is de vaktaal kloppend + is de logica helder?
  4. Deel 1 sterk voorbeeld klassikaal.
  5. Redo: voeg 1 signaalwoord toe + vervang 1 vaag woord door vakterm.

Succescriteria (leerlingtaal)

  • Ik gebruik alle drie verplichte vaktermen.
  • Ik gebruik minimaal 1 signaalwoord.
  • Mijn uitleg klopt zonder de startzin – de structuur draagt de inhoud.

Doorvraagvragen

  • Welke woorden maken het vaktaal?
  • Welke stap ontbreekt nog in de redenering?
  • Kun je hetzelfde zeggen met andere woorden en blijft het kloppen?

Bewijs van leren

Je ziet of leerlingen concepten kunnen verwoorden – niet alleen reproduceren. Noteer welke startzin het vaakst leeg blijft.

Variant

Laat leerlingen zelf een startzin toevoegen die andere leerlingen helpt.

13Samenvatten in 3 zinnenDe kern selecteren en structureren – leerlingen kiezen wat echt belangrijk is.Einde blok5 minInd.structureren

DoelDe kern selecteren en structureren – leerlingen kiezen wat echt belangrijk is.

WanneerEinde blok of les • voorbereiding toets • herhaling

Docent zegt (startscript)

  • ‘Schrijf 3 zinnen: (1) kernidee, (2) belangrijke uitleg, (3) gevolg/toepassing. Gebruik 2 vaktermen.’
  • ‘Gebruik minimaal één signaalwoord: omdat/daardoor/dus.’

Beslisregels (als…dan…)

  • Als leerlingen details opsommen: geef richtvraag “Als je maar één ding mocht onthouden, wat is dat?” en laat zin 1 opnieuw schrijven.
  • Als structuur ontbreekt: geef vaste sjabloon op bord (Kern–Uitleg–Gevolg) en redo 2 min.

Zo werkt het

  1. 3 zinnen: kern / uitleg / voorbeeld.
  2. Duo-check op criteria: volledigheid en correcte vaktaal.
  3. Klas: 1 sterk voorbeeld + 1 tip bespreken.
  4. Redo: verbeter via checklist – niet via modelantwoord.
  5. Redo (30 sec): verbeter 1 zin met een vakterm of signaalwoord. Bewaar als leerkaart voor de volgende les.

Succescriteria (leerlingtaal)

  • Kernzin: bevat het centrale begrip + 1 vakterm.
  • Uitlegzin: bevat een signaalwoord (omdat / waardoor / dus).
  • Voorbeeldzin: concreet en bewijsbaar.

Doorvraagvragen

  • Welke zin is echt de kern?
  • Welke vakterm mist er nog?
  • Welke voorbeeldzin bewijst begrip?

Bewijs van leren

Wat leerlingen als kern zien – en of ze essentieel van bijzaak onderscheiden. Noteer welk zintype het vaakst ontbreekt of het zwakst is.

Variant

3 naar 1 superzin: samenvattingen samenvoegen tot 1 perfecte zin.

14Gallery walk (voorbeelden beoordelen)Kwaliteit herkennen door vergelijken – leerlingen worden eigenaar van criteria.Verwerking10 minKlasvergelijken

DoelKwaliteit herkennen door vergelijken – leerlingen worden eigenaar van criteria.

WanneerVerwerking • na een schrijf- of uitwerkopdracht

Docent zegt (startscript)

  • ‘Loop langs de voorbeelden. Vul per voorbeeld in: 1 bewijszin “Ik zie … omdat …” en 1 tip “Voeg … toe aan …”.’
  • ‘Kies daarna één tip die jij in je eigen werk gaat verwerken (redo).’

Beslisregels (als…dan…)

  • Als feedback oppervlakkig: bespreek 1 post-it en verbeter die klassikaal naar criteriataal; laat leerlingen daarna 1 post-it herschrijven.
  • Als leerlingen vooral inhoud beoordelen i.p.v. taal/structuur: wijs expliciet op criteria (vaktermen, signaalwoorden, opbouw) en laat opnieuw kijken.

Zo werkt het

  1. 4-6 anonieme voorbeeldwerken ophangen – kwaliteitsverschil zit in precisie, vaktaal en logische opbouw.
  2. Leerlingen lopen rond met checklist (2 criteria).
  3. Per voorbeeld: 1 sterk punt + 1 tip op post-it.
  4. Bespreek het sterkste voorbeeld klassikaal.
  5. Redo: pas eigen werk aan op basis van wat je zag.

Succescriteria (leerlingtaal)

  • Ik benoem aan welk criterium ik iets herken met bewijs.
  • Mijn tip is concreet: 'Voeg [vakterm] toe aan zin 2.'
  • Ik pas mijn eigen werk aan op basis van 1 tip.

Doorvraagvragen

  • Welke keuze maakt dit voorbeeld sterk?
  • Welke fout zie je het vaakst?
  • Welke tip ga jij verwerken in je eigen werk?

Bewijs van leren

Kwaliteitsbesef en criteriagebruik worden zichtbaar. Noteer welk voorbeeld het vaakst als sterkst wordt aangewezen en welke tip het vaakst wordt gegeven.

Variant

Digitale gallery op Canva Whiteboard met sticky notes en feedbackframes.

15Quick scan 3-2-1Snelle reflectie en diagnostiek – leerling en docent krijgen een helder beeld.Einde les3 minInd.reflecteren

DoelSnelle reflectie en diagnostiek – leerling en docent krijgen een helder beeld.

WanneerEinde les • einde week • na project of toets

Docent zegt (startscript)

  • ‘Schrijf: 3 dingen die je hebt geleerd, 2 dingen die nog lastig zijn, 1 scherpe vraag.’
  • ‘Je vraag start met: Hoe… / Waarom… / Wat als…’

Beslisregels (als…dan…)

  • Als vragen te breed zijn: laat leerlingen hun vraag verkleinen door één vakterm toe te voegen + één situatie te noemen.
  • Als veel dezelfde oefenpunten: start volgende les met 1 gerichte mini-quiz of wisbordjes op dat punt.

Zo werkt het

  1. 3 dingen die ik heb geleerd.
  2. 2 dingen die ik nog wil oefenen.
  3. 1 vraag die ik nog heb.
  4. Docent clustert de vragen in 3 stapels: begrip / toepassing / overig.
  5. Redo (30 sec): maak je vraag scherper met 'Hoe…/Waarom…/Wat als…'. Volgende les starten met de top-vragen.

Succescriteria (leerlingtaal)

  • Mijn 3 dingen bevatten minimaal 1 vakterm.
  • Mijn vraag begint met 'Hoe ...', 'Waarom ...' of 'Wat als ...'
  • Ik ben eerlijk over wat ik nog niet zeker weet.

Doorvraagvragen

  • Welke 2 zijn echt lastig – en wat heb je nodig?
  • Is je vraag over begrip of over toepassing?
  • Welke vraag is het belangrijkst voor de toets?

Bewijs van leren

Lesopbrengst + leerbehoeften in één keer zichtbaar. Cluster in 3 stapels: begrip / toepassing / overig. Noteer de top-3 vragen voor de volgende les.

Variant

3 termen, 2 relaties, 1 open vraag – meer vakinhoudelijk gericht.

Herkomst

Waar zijn deze keuzes op gebaseerd?

De gids combineert vakgericht taalonderwijs, formatief handelen, scaffolding en feedback. Op de bronnenpagina staat de oorspronkelijke literatuurlijst naast de bredere onderbouwing van EAI.

Bekijk bronnen en onderbouwing